Voorjaar 2003 - Voyager - auteur Corrie de Hoog - "Te voet kennismaken met Marokko!"

TE VOET KENNISMAKEN MET MAROKKO! Land van gastvrijheid, kleuren, prachtige landschappen en oude culturen. Tekst: Corrie de Hoog Fotografie: Corrie de Hoog en Jos van Eekelen Marokko is vooral bekend door zijn prachtige koningssteden als Fes, Meknes en Marrakech, strandvakanties en de erotisch getinte vertellingen van Sheherazade. Veel minder bekend zijn de prachtige natuur en de vriendelijke en gastvrije bevolking. Marokko heeft zeer gevarieerde landschappen, de Atlantische Kust, het Rif gebergte in het noorden, de Hoge en Midden Atlas gebergtes in het midden en het Anti Atlas gebergte en het woestijnlandschap in het zuiden. De hoogste berg van Noord-Afrika (Toubkal, 4167 meter), strand, oude kasbahs en agadirs, bergdorpjes, souks, woestijnduinen, dadelpalmen en oases, de hartelijke ontvangst van de berberbevolking, en nog veel meer, je kunt het allemaal wandelend beleven. Zelf deed ik dat voor het eerst in februari/maart 1999. Al jaren had ik de wens eens in Marokko te gaan lopen. Tijdens een vreemde voettocht met de bergsportvereniging in het Anti Atlas Gebergte ging die wens in vervulling en dat was het begin van mijn liefde voor het land en zijn inwoners. We vervolgden die vakantie met een rondreis in een huurauto. Maar de benen wilden toch het werk doen, dus lieten we de auto regelmatig staan. We maakten een wandeltocht in de woestijn en sloten af met een tweedaagse in de Hoge Atlas onder de bezielende begeleiding van Brahim Aziam. Die twee dagen deden mij toen zeggen: “Ik kom terug, Brahim”. En dat deed en doe ik. Sindsdien organiseer ik namelijk (belangeloos!) samen met hem regelmatig reizen naar Marokko. Niet alleen omdat ik het zelf heerlijk vind te wandelen in dat prachtige land en te mogen proeven van de zo andere cultuur. Ik gun dat gevoel ook zo graag aan anderen. Maar de belangrijkste beweegreden is om met elkaar, al wandelend de mensen daar aan meer inkomsten te helpen. Irhil M'Goun (4068 m) Voor veel bergwandelaars is de hoogste berg van Marokko, de Toubkal (4167 m), het ultieme doel. Zo ook voor ons, tijdens mijn eerste gezamenlijke reis met Brahim en een groep vrienden in mei 2001. Het was prachtig. Ondanks of misschien juist wel omdat Brahim in het Toubkalgebergte woont, liet hij toen al doorschemeren dat hij een voorkeur heeft voor het M'Goungebergte. Voor oktober 2002 stond dan ook een 11-daagse wandeltocht op het programma met als doel de tweede hoogste berg van Marokko, Irhil M'Goun (4068 m). Het beloofde een prachtige en pittige tocht te worden. Hoge passen, lieflijke valleien, diepe kloven en mogelijk zelfs uren in het water lopen. Het pakte anders uit. Al voordat we vertrekken, horen we dat de reis zal moeten worden aangepast vanwege de sneeuwval in de bergen. Het passeren van besneeuwde passen is te gevaarlijk voor de muildieren die onze bagage, tenten en proviand zullen dragen. Het passeren van de kloven te gevaarlijk voor ons vanwege de waterstand. Dat is een tegenvaller, maar tegelijkertijd gelukkig voor de Marokkanen die al drie jaar te kampen hebben met grote droogte. Bovendien weet ik dat Brahim er alles aan zal doen om ons toch een fantastische vakantie te laten beleven. De groep stelt zich eveneens vol vertrouwen en soepel op en het avontuur kan beginnen. Marrakech, een warm welkom Mijn aankomst betekent een warm weerzien (letterlijk en figuurlijk). Niet alleen met Brahim, maar ook met de mensen van het hotel, van de restaurantjes en winkeltjes in de buurt. En vooral ook dóór Brahim. Het is prettig bij iemand te horen die door velen zo gewaardeerd wordt. We halen samen de groep (voornamelijk vrouwen) af van de luchthaven en drinken in het hotel op onze kennismaking, met muntthee (Whisky Berber). De mierzoete thee waarvan de eerste keer je gebit in al zijn voegen kraakt, maar waar je na een paar dagen juist naar gaat verlangen. Het hotel ligt op een steenworp afstand van de medina, het beroemde Djemna el Fna plein en de Koutoubia moskee. Na een heerlijke maaltijd kunnen we dus nog even gaan snuffelen aan de mystieke sfeer van Marrakech. Het blijft voorlopig bij een snuifje, want de andere morgen vertrekken we in noordelijke richting. Voor vertrek ontmoeten we Momo, onze kok, en Ahmed, gids en vriend van Brahim. Waarom hij mee gaat, zal later blijken. De mannen pakken de bagage in en op het busje en via Azilal rijden we naar de Vallei van Aït Bouguemez. Nog geen 300 km, maar we doen er een hele dag over. Ruig, rotsig en regen Bij Tabant (1850 m) houdt de weg op. Het is de vertrekplaats van ons wandelavontuur. We slapen in een `gîte d'étape' (berghut) en eten onze eerste maaltijd van Momo. In feite is zo'n `gîte d'étape' niets anders dan een deel van een Marokkaanse woning die speciaal voor gasten is ingericht. Brahim praat dan ook altijd over slapen `chez les habitants' (bij de bewoners). De groep maakt een ommetje in het dorp. Ahmed en ik slaan water in voor de eerste paar dagen. De andere morgen vroeg arriveren de vier muildieren en hun drie begeleiders en kijken wij toe hoe de bagage op de ruggen wordt gepakt. Dat is de eerste keer altijd passen en meten, daarna lijkt het routinewerk. Hoewel er de vorige dag wat druppels vielen, gaan we onder een stralende zon op pad. Er hangt een zeer bijzonder licht, waardoor alles wat beige is groen wordt en alles wat groen is, blauw. De eerste loopdag zou een korte loopdag zijn, dus genieten we hier met volle tuigen van, stoppen veelvuldig en treuzelen in de ogen van Ahmed wat af. Voor hem is meteen onze reputatie gevestigd. `Voor straf' mogen we na de lunch niet via de rivier lopen, maar moeten we over de onverharde weg, omdat we anders niet voor donker op de kampeerplaats zullen zijn. We besluiten hem `een poepie te laten ruiken'en zetten er een flink marstempo in. Brahim weet beter en ziet het glimlachend aan. Deze eerste dag betekent ook onze eerste - en gelukkig laatste - zieke. Agnita lijkt griep te hebben, maar zet haar kiezen op elkaar en buffelt gewoon door. De tenten zijn door onze muildiermannen opgezet in ruig bergterrein. De kooktent, de gezamenlijke tent en een eigen tentje voor de versverliefde Jos en Astrid. We zijn net op tijd binnen voor de regen. Bij het opstaan blijkt het nog steeds slecht weer. Het is koud, het waait hard en donkere wolken dreigen elk moment tot uitbarsting te komen. We passeren het drooggevallen meer van Izourar op 2526 m. De wolkenmist en een zonnetje dat hardnekkig pogingen doet om door te breken, geven de plek een buitenaardse indruk. Opnieuw ruig rotsig terrein waar zelfs nog mensen blijken te leven. Je vraagt je af hoe. Rond het middaguur begint het te regenen en de lunch wordt provisorisch genuttigd onder het afdak van een schapenonderkomen. Onderweg naar de tenten giet het. Gelukkig heeft Brahim geïnvesteerd in een regenzeil voor de grote berbertent waarin we eten en slapen. Wil de echte gids opstaan... Brahim blijkt Ahmed te hebben meegenomen vanwege de veranderde route die Ahmed wel, Brahim niet kent. Door het slechte weer dreigt de nieuwe route evenmin te kunnen worden gevolgd. Ahmed stelt voor terug te gaan. Brahim wil ons echter het beste geven en stelt die beslissing nog een dag uit. Hij blijkt gelijk te krijgen. We vervolgen onze tocht onder een stralende hemel door een berglandschap met o.a. eeuwenoude jeneverbesbomen, via een idyllische picknickplek en een prachtig rivierdal en eindigen in een 7e-eeuwse gîte in Ahannsal (1600 m). 's Avonds blijken onze begeleiders Sylvia's zakje met kindercadeautjes te hebben gevonden. Getooid met maskers en ballonnen wachten ze ons voor de thee. Omdat Brahim nog onzeker is over het weer, stellen we de andere dag ons vertrek uit tot na de middag. We verpozen ons lezend en lummelend bij de gîte, wandelen alleen door het dorpje, maken een praatje en doen wat boodschappen in een winkeltje dat speciaal voor ons open gaat. Op de terugweg komen we meteen in de problemen als onze buurmeisjes ons een korte route willen aanwijzen. De twee kleintjes lopen als gemzen over de kleinste richeltjes, wij lopen vreselijk te klungelen, durven niet verder en keren terug naar het normale pad. Als Ahmed ons zou zien....... Bij terugkomst in de gîte is de beslissing gevallen. We gaan door. Het wordt een korte wandeling naar een volgend gehuchtje, vanwaar we echt de onbewoonde wereld zullen ingaan. Onderweg loopt een galante suggestie van Ahmed uit op een waterdoop. Bij het oversteken van een riviertje reikt hij Ellie de hand, maar hij is te klein om haar daadwerkelijk te steunen. Met een voor de toeschouwers fraaie pirouette verdwijnt ze onder grote hilariteit kopje onder. Gelukkig is ons onderkomen vlakbij. Er wonen twee families. Momo kookt bij de ene, wij slapen bij de andere familie, om zo hun inkomsten gelijk te verdelen. Hoe armer de mensen, hoe warmer de ontvangst. Dat blijkt ook hier weer. We worden verwelkomd met de gebruikelijke thee, maar ook vers gebakken brood met boter en olie, amandelen, walnoten en koekjes. (Hart)verwarmend, zeker voor Ellie wier kleren haastig te drogen worden gehangen. Ik mag m'n handen en gezicht wassen in de keukenruimte met moeizaam uit een waterput gehaald water. De vrouwen schieten toe met schone handdoek en zeep. Er is geen elektriciteit en, in tegenstelling tot de gîte van de vorige nacht, ook geen water. De WC is `partout' (overal) en dat is even wennen, vooral omdat er een blaffende en grommende hond met je meegaat. We slapen weer in een eenvoudig vierkante ruimte, alle matrasjes op een rijtje. In het donker giebelen we als pubers in onze slaapzakken. Verdwaald! De volgende etappe kunnen we niet afleggen met de muildieren. Daarvoor is het te steil en te smal. We nemen alleen het noodzakelijke mee op de ruggen van twee ter plekke ingehuurde ezeltjes. De muildieren moeten omlopen en vertrekken de volgende morgen dan ook al om vier uur met de rest van de bagage. Van onze gastvrouw krijgen we nog vers gebakken brood mee. Het wordt een prachtige en enerverende dag. Eerst door een kloof waar het zonlicht schitterende voorstellingen geeft. Volgens Ahmed moet hier veel nog wild zitten, maar we zien alleen geiten en hun hoeder, die de kudde behendig met een slinger en steentjes bij elkaar houdt. Daarna stijgen we tot flinke hoogte, waar we picknicken op het dak van de wereld lijkt het. We delen ons eten met de ezeldrijvers en een eenzame herdersjongen. Daarna weer door een kloof, een drievoudige dit keer, gevolgd door een bijbels aandoende vlakte. Dat beeld wordt nog versterkt door Brahim en Momo die er naast elkaar hun middaggebed doen. Na weer een pas besluiten Sylvia en ik niet meer te rusten en in een keer door te gaan naar het kamp achter Brahim en Momo aan. De rest van de groep volgt met Ahmed...... en verdwaalt. Een uur na onze aankomst, worden we toch ongerust, vooral omdat het intussen donker is geworden. Brahim besluit tot een zoektocht. Overal worden oriëntatievuren aangestoken. Het is zeven uur voordat we stemmen horen. Moe en koud, lopend of op een muildier, maar nog steeds goedgemutst, begroeten we de laatkomers. Chapeau! De volgende dag blijkt nog zwaarder, vooral door een lange afdaling die we moeten maken. We lopen eerst urenlang op grote hoogte. Kaal, maar prachtig. Daarna dalen we vier uur af. Alles gaat pijn doen en we houden ons op de been door ons te verheugen op een massage die we in het kamp vast wel zullen krijgen. Het laatste stuk krijgen we gezelschap van kinderen die voor ons zingen en in plaats van “stylo” of “bonbon” (pen of snoepje) vragen: “tu est fatigué?” (ben je moe?). Het is ons blijkbaar aan te zien. Twee meisjes met bijzondere haardracht dragen zware takkenbossen op de rug. Nu durven we helemaal niet meer te klagen. De waardering voor de mentaliteit van de groep is inmiddels tot grote hoogte gestegen, maar die massage kunnen we natuurlijk vergeten. De thee van Momo en het “ bravo” van onze begeleiders maken veel goed. De tenten zijn opgezet op een dorsvloer in het dorpje Wawchki (2033 m). Weinig privacy dit keer bij wassen en andere sanitaire besognes. Geen rustdag Brahim biedt ons een rustdag aan, maar de groep wil gewoon weer wandelen. Het wordt een gemakkelijke dag door de lieflijke M'Goun vallei, waar veel aardappelen, groente en fruit worden verbouwd. Onderweg worden we uitgenodigd voor de thee. Vanaf het voor Marokko zo typerende platte dak van het huis zien we de aankomst van twee bruiden bij hun toekomstige echtgenoten. We laten de dorpjes achter ons en slapen vlakbij een eeuwenoude agadir (voorraadschuur) in de rivierbedding. De middag benutten we door te wassen en te poedelen in het ijskoude riviertje. Een van de muildiermannen blijkt stiekem een `geweer' mee te hebben genomen en het jachtinstinct van onze begeleiders komt boven. Tevergeefs proberen ze een paar duiven te schieten voor het avondmaal. Weer bijgekomen en opgefrist gaan we de volgende dag op pad voor onze laatste hoge pas (Tizi-n-Aït Imi, 2965 m). Een pittige klim, maar het fraaie uitzicht op de besneeuwde M'Goun maakt alles goed. We dalen af naar de groene vallei van Aït Bouguemez. Deze vallei wordt ook wel `la vallée des heureuses' (vallei van de gelukkigen) genoemd, omdat er altijd water in overvloed is. Eens te meer wordt duidelijk hoe belangrijk water, uit de bergen of bronnen, voor het welzijn van mens en dier is. Het water wordt geleid, goed benut en bewaard. De grote tent staat vanwege de warmte in zomerstand (met de zijflappen omhoog) naast twee onlangs gebouwde, grote waterreservoirs. In het dal in de verte zien we de gîte van waaruit we vertrokken zijn, liggen. De bewoonde wereld komt helaas weer in zicht. Er verschijnt 's avonds zelfs een Franse landrover naast de tenten. De plek blijkt veelvuldig als startpunt voor een beklimming van de M'Goun te worden gebruikt. Onze tocht zou hier afgelopen kunnen zijn, maar gelukkig hebben we nog drie dagen te gaan. De bruiden van Brahim Ahmed en Brahim dalen af naar Tabant om proviand in te slaan. Momo leidt ons via appelboomgaarden naar de vallei van Agouti (1780 m). Een prachtige plek met opnieuw uitzicht op de M'Goun. Na de lunch mogen we een ritje op de muildieren maken en worden we als bruiden door ons Marokkaanse begeleiders naar en door het dorpje geleid. Op het land werkende vrouwen steken de gek met hen en maken ons lachend en met veel dubbelzinnige gebaren duidelijk dat we het mooi voor elkaar hebben. We drinken thee in een gîte. Er is weer discussie over de te volgen route. Ahmed is blijkbaar moe en stelt een kortere weg voor met een rustdag. Op advies van Brahim houden we echter voet bij stuk en blijven we bij het oorspronkelijke plan. We leren Ahmed het woord `watje'. 's Avonds blijkt Brahim plotseling hevige maagpijnen te hebben en gaan wij zelf denken aan een rustdag om hem de kans te geven op herstel. De andere dag doet hij echter of er niets meer aan de hand is en gaan we toch weer op pad. Zonder muildieren dit keer, zij gaan rechtstreeks naar de kampeerplaats. Omhoog lopend kijken we terug op de veelkleurige vallei van Aït Bouguemez. Boven lijken we door een maanlandschap te lopen en is er weer dat bijzondere licht. De afdaling in de aangrenzende vallei wordt gedomineerd door donkerrode rotsformaties en dito huisjes die tegen de bergen liggen geplakt. We slaan voor de laatste keer onze tenten op, op een akkertje boven de rivierbedding. Een van de muildierenmannen egaliseert met een verontschuldigende lach een aardappelrichel onder mijn slaapmatje. Het afscheid nemen begint. Het is de laatste avond met onze muildiermannen. We spelen spelletjes en zingen met elkaar. De laatste dag lopen we terug naar de Aït Bouguemez vallei waar we in Abachcou weer in een gîte slapen. Eerst overheerst de blijdschap om een warme douche en dikke matrassen. Later krijgt het heimwee naar `ons eigen kamp `in de bergen de overhand. Jos' multifunctionele horloge bewijst dat we in 11 dagen totaal ± 200 km hebben gelopen. Dat we daarbij 12 passen zijn overgegaan, 6445 meter zijn gestegen en 6565 meter gedaald. Cadeautjes We gaan vroeg en wat melancholiek naar bed. Onze vertrouwde chauffeur brengt ons de andere dag terug naar Marrakech. Onderweg bezoeken we nog de hoge Cascades (watervallen) van Ouzoud waar we zelfs nog apen ontdekken. Het eind van de reis is echter onvermijdelijk, er rinkelt opeens een mobiele telefoon (met het bericht dat het kabinet Balkenende is gevallen) en weldra zijn we weer terug in de hectiek en mystiek van Marrakech. De middag besteden we met elkaar winkelend in de souks. Sylvia vertrekt de andere morgen naar huis, de anderen blijven nog twee extra dagen om de stad te bezoeken. Op het dakterras van het hotel nemen we in de zwoele avond afscheid van elkaar, van Ahmed, Brahim en Momo. We geven ze de gebruikelijke en voor alle drie welgemeende fooien. We complimenteren Brahim met z'n perfecte organisatie en leiderschap, plagen Ahmed met z'n vooroordelen en prijzen Momo die er altijd was met thee, koekjes en heerlijk eten in overvloed. Zij blijken voor de vrouwen een met de hand geborduurd huisgewaad en voor Jos een houten bord met korantekst te hebben gekocht. Als waardering voor de manier waarop en de mentaliteit waarmee er gelopen is. Wij zijn ontroerd en zullen deze vakantie niet licht vergeten. “Marokko? Wat moet je daar in vredesnaam?”, is een veelgehoorde reactie als mensen van mijn reizen horen. Vaak is het een retorische vraag van mensen die Marokko associëren met dat beruchte kleine deel van de Marokkaanse jeugd in Nederland. Gelukkig zijn er ook mensen die daadwerkelijk geïnteresseerd zijn en met mij - lezend of lopend - willen genieten van het prachtige land en zijn inwoners. Marokko? Een aanrader! Terug Mesure d'audience ROI statistique webanalytics par

 

Terug